pedodreigning-240x150Kindermisbruik moet worden voorkomen, vrijwel iedereen is het daar over eens. Maar de verkettering van pedofilie, zoals die in Nederland plaatsvindt, werkt eerder averechts. Wie echt bescherming van kinderen voorstaat, kan beter inzetten op een open en preventieve benadering. Door Koen Schiernecker & Werner de Gruijter

 

‘Een moraal zonder gevoel voor paradox is gemeen’, constateerde de Duitse romantische dichter en filosoof Karl Friedrich Schlegel (1772-1829) eens. Zijn opmerking is vandaag de dag meer dan ooit van toepassing op de discussie rond pedoseksualiteit. 

Want, hoe ironisch, des te meer de haat in de Nederlandse samenleving jegens pedofielen groeit, des te groter zal de kans worden dat pedofielen daadwerkelijk in de fout gaan.

En de groeiende haat zet in rap tempo door. Ga maar na. De recente commotie bijvoorbeeld rond Benno L., de Leidse pedofiel voor wiens nieuwe flat een bescheiden volksopstand uitbrak nadat media zijn verblijfplaats hadden prijsgegeven. Of de omvangrijke zedenzaak die in 2010 in Nederland speelde, pedoseksueel Robert M. die in de media categorisch werd weggezet als het ‘monster van Riga’.

Gewone mensen
Hoe begrijpelijk de verontwaardiging ook is – Robert M. en Benno L. (en ieder andere pedoseksueel) zijn en blijven toch echt gewone mensen van vlees en bloed; en zijn dus geen monsters. Dit is een belangrijk onderscheid om te maken, om het risico op onredelijkheid en overreactie te voorkomen. Een maatschappij die enkel dit soort haatdragende berichten hoort over pedofielen bouwt immers een onredelijke hoeveelheid haat op jegens deze doelgroep. Met alle gevolgen van dien. 

Vergeten wordt vaak dat een groot deel van de pedofielen niet praktiseert. En wanneer een pedofiel wel in de fout gaat, dan recidiveren de meeste pedoseksuelen niet.

Laat duidelijk zijn, vrijwel iedereen is het erover eens dat kindermisbruik zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Maar het zijn juist de grootste voorvechters van deze wens, die de omstandigheden helpen creëren waarin de kans op kindermisbruik ironisch genoeg toeneemt.

Kindermisbruik
Wat in deze richting wijst, zijn de uitkomsten van het onderzoek van Diamond, Jozifkova en Weiss. Deze onderzoekers bestudeerden of de hoeveelheid seksueel kindermisbruik zou toenemen nadat in 1989 pornografie gelegaliseerd werd in Tsjechië. Voor 1989 was iedere vorm van pornografie daar strikt verboden. Na 1989 werden alle vormen van pornografie gelegaliseerd; ook het bezit en het bekijken van kinderpornografie. Uit deze studie kwam naar voren dat er na 1989 direct minder seksueel kindermisbruik plaatsvond dan voorheen – toen alle vormen van pornografie nog verboden waren.

Soortgelijke politieke veranderingen ten opzichte van pornografie waren ook al in andere landen onderzocht en in elk land kwam hetzelfde patroon naar voren: wanneer kinderpornografie legaal is, vindt er minder seksueel kindermisbruik plaats. Dit is gevonden in Japan, China, Hong Kong, Verenigde Staten, Kroatië en Finland. Een andere studie ondersteunt deze uitkomst. Er werd in dit onderzoek eveneens een overwegend negatieve relatie gevonden tussen kinderpornoconsumptie en seksueel kindermisbruik.

Deze resultaten geven op z’n zachts gezegd de aanwijzing dat het beschikbaar stellen van kinderpornografie ertoe zou kunnen leiden dat de verlangens van pedofielen bevredigd worden, wat de kans op het daadwerkelijke kindermisbruik vermindert. Nu is het walgelijk en verwerpelijk om de productie en het kijken van kinderpornografie toe te staan, maar wel kan worden overwogen om door de computer gegenereerde kinderpornografie te legaliseren. Dit zal alleen mogelijk zijn in een tolerantere sociale omgeving dan dat er nu is in Nederland. In ieder geval is verder onderzoek hiernaar nodig.

Preventie
Alles overziend zou het heel goed kunnen dat een effectievere oplossing niet in de duur van een gevangenisstraf ligt, of in de verkettering van pedofielen, maar veeleer in de preventieve benadering door meer openheid te betrachten over dit onderwerp. Wellicht zou het dan ook beter zijn om een klimaat te creëren waarin pedofielen zich comfortabeler voelen om op eigen initiatief op tijd hulp te zoeken. Werkelijk iedereen zou daar gebaat bij zijn – niet in de laatste plaats de kinderen waar het allemaal om draait. Maar dit is alleen mogelijk als de samenleving (inclusief de media) haar verantwoordelijkheid neemt, en wat minder op het primaire gevoel gaat zitten en wat meer op het verstand.

Gezien de zeer hoge gevoeligheid van dit onderwerp is het toch relevant te benadrukken dat deze aanbeveling geenszins betekent dat pedofilie, kindermisbruik en de productie van kinderporno dan maar geaccepteerd moeten worden. Het doet op geen enkele manier afbreuk aan de ernst van seksuele handelingen met kinderen. Er is immers een substantiële asymmetrie tussen kinderen en volwassenen in de cognitieve vaardigheden, psychoseksuele ontwikkeling en anatomie die niet aanwezig is bij seksuele interacties tussen volwassenen.

Stigmatisering
De hier geschetste aanbeveling is dan ook bedoeld om het debat naar een hoger plan te tillen. De huidige stigmatisering van pedofilie en pedoseksualiteit, maakt dat een maatschappelijke discussie over zinvolle oplossingen van het geschetste probleem nu vrijwel onmogelijk is.

Men reageert dus niet meer op basis van redelijkheid, maar op basis van angst en waanbeeld. Met als gevolg een proces van sociale uitsluiting van pedoseksuelen. Dit zou paradoxaal genoeg kunnen bijdragen aan de toestand waarin men juist datgene over zichzelf afroept waarvoor men de grootste vrees koestert, namelijk: de toename van kindermisbruik. En zo zijn we dan toch weer terug bij de constatering van Karl Friedrich Schleger: ‘Een moraal zonder gevoel voor paradox is gemeen.’

 

Bron: Dagblad Trouw (2014)Sociale Vraagstukken (2014)

Werner de Gruijter was sociaal psycholoog en als docent Academisch Schrijven en Methodenleer verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en tevens als docent Ontwikkelingspsychologie verbonden de Hogeschool van Amsterdam.

Koen Schiernecker is als student psychologie (specialisatie klinische psychologie) verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.