Hoe de korte termijn focus op geld het sociale weefsel beschadigt

 

Ruim dertig jaar leven we in het Westen onder een strak mentaal regime van strikt boekhouderschap. We zien steeds duidelijker dat deze mentaliteit bezig is het sociale weefsel te verteren waar de rest van de samenleving op rust. Voor wie denkt dat dit een unieke ontwikkeling is: zoiets is in het verleden al wel vaker gebeurd – al bleef dat toen niet zonder nare gevolgen. Zou deze geschiedenis zich kunnen herhalen?

 

Zodra we ons minder aantrekken van de berekening van de accountant,” schreef de beroemde Britse econoom John Meynard Keynes (1883-1946) in de depressiejaren, “beginnen we onze beschaving te veranderen.” De samenleving had in zijn ogen meer behoefte aan leidinggevende visionairs die onderlinge verbanden en lange termijn effecten voorzagen, en niet aan boekhouders die zich louter blindstaarden op geld.

 

Wellicht iets om over na te denken, maar tachtig jaar na dato lijkt deze verzuchting aan dovenmans oren gericht. Het zijn immers de door Keynes verachtte accountants die na een tijdje van het toneel te zijn verdwenen, vanaf de jaren tachtig wederom de scepter zwaaien. Ze beheersen het politieke discours, behartigen de belangen van de private markt, en dragen zo mede bij aan het creëren van de juiste omstandigheden voor het mogelijk laten ontstaan van een proto-fascistisch staatssysteem – een steeds uitdijende controlerende en repressief optredende overheid die een survival of the fittest-ideologie verspreid en dat in een situatie waarin eng nationalisme de kop opsteekt.

 

De balans lijkt wat dat betreft zoek te zijn. Maar in machtscentra als Brussel of Washington wordt daar tot dusver niet zo over gedacht. Politici, zowel links als rechts, blijven gedwee in hun rol van boekhouder en wijten de huidige crisis niet aan het financiële systeem dat perverse prikkels door de gehele samenleving verspreid, maar aan overheden die teveel zouden hebben uitgegeven.

 

En pervers is het. Door de jarenlange boekhoudersgeest kun je zelfs serieus betogen dat we zijn aanbeland in het Duitsland van de twintiger jaren van de vorige eeuw… 

 

Maar wacht eens even. Hier wordt een bizar sprongetje in het denken gemaakt. Althans, in de manier waarop we geacht worden te denken. De culturele norm schrijft immers voor dat iedere vergelijking van de actualiteit met de Tweede Wereldoorlog te grotesk voor woorden is om serieus in overweging te worden genomen. Maar, let wel, alles in de wereld verandert en niets staat stil. Het zou heel goed kunnen dat dit dogma ons belet om te zien wat er om ons heen aan het gebeuren is. Er zijn in ieder geval een aantal treffende vergelijkingen te maken die zich in dit verband steeds moeilijker laten ontkennen.

 

Ga maar na. Evenals toen is het sociaal-darwinisme terug van weggeweest (het illusoire idee dat kwetsbaren hun positie in de samenleving aan zichzelf te wijten hebben en daarom op steeds minder hulp hoeven te rekenen), het nationalisme neemt daarnaast in heel Europa toe, armoede tiert op het oude continent tegenwoordig welig rond, het ressentiment is terug, het vertrouwen in politici daalt, ook dit keer is de cultuursector de gebeten hond, het beleid wordt daarnaast meer en meer vormgegeven vanuit financiële motieven en minder en minder vanuit ethische principes, wederom zijn er massa’s geïsoleerde individuen die kampen met innerlijke leegte, het kapitaal heeft ook dit keer onredelijk veel politieke macht, en, tot slot, de antwoorden op de crisis die tot op heden door het establishment worden aangedragen zijn brood noch vis. Want, even als toen bungelen we aan een zijden draad: het financiële systeem is sinds 2008 zelfs nog instabieler geworden dan ze al was.  

 

Gelukkig, vooralsnog lopen er alleen in Griekenland knokploegen en is de wanhoop en honger in de rest van Europa niet op een niveau waarop geconcludeerd kan worden dat de geschiedenis daadwerkelijk bezig is zichzelf in een andere gedaante te herhalen. Maar de angstaanjagende boodschap is wel, dat er een inhumaan ogend ethisch bewustzijn heerst: het draait in dit Europa namelijk steeds minder om het verbeteren van het welzijn van haar bevolking, en veeleer om het verdienen van geld louter en alleen omwille van het verdienen van geld, en wel op een zo kort mogelijke termijn – ook al wordt daar maatschappelijk gezien een fikse prijs voor betaald: en zie daar dan ook de parallel met het akelige verleden.

 

Accountants en boekhouders, in essentie zijn het zeer nobele beroepen – wanneer ze de samenleving dienen. Maar het punt is dat de bijbehorende boekhoudersmentaliteit, die momenteel op tal van terreinen overheerst, niet vanzelfsprekend goed leiderschap oplevert. Integendeel – geld wordt nu te veel gezien als een op zichzelf staand heilig doel, waar het eigenlijk een instrument zou moeten zijn dat de samenleving dient.

 

Dat lijkt op zichzelf allemaal logisch, maar menselijk gedrag laat zich niet leiden door logica. De Rotterdamse Hoogleraar Rinus van Schendelen zei ooit eens dat mensen eerder de wereld aanpassen aan hun ideeën, dan dat mensen hun ideeën aanpassen. Niet dat het onmogelijk is (zeker niet zelfs wanneer men zich fatsoenlijk organiseert en gelooft in eigen kunnen), maar een brede omslag in denken is menselijk gezien niet heel erg vanzelfsprekend.

 

De boekhouders zullen dus nog wel even doorgaan met het op orde krijgen van het huishoudboekje van de staat. Met alle gevolgen van dien. Zie bijvoorbeeld de Romeinse dichter Ausonius, in de vierde eeuw na Christus verwoordde hij perfect wat er bij een te eenzijdig volgehouden boekhoudersgeest op het spel staat:

 

Wie is rijk?

Hij die niets heeft

 

Wie is arm?

De vrek


 
Bron: joop.nl (2014)